Zondag markt in Kluizen

Omdat ik vandaag bezig ben met de voorbereidingen voor de markt van Kluizen (bij Evergem) komende zondag, is er geen Danaë-blog. Een gezellige (grote) gelegenheid om nog ’s de bekende koppen te zien en nog ’s samen de dag vol te lullen. Zoals we dat al meer dan 20 jaar samen doen. Maar ik heb wel nog iets te vertellen na de expo van Drongen.

Het meest vertelde verhaal op de expo is zonder twijfel dat van de Kermis van Hoboken (Bruegel). De tekening die ik maakte naar de nog bestaande tekening van Bruegel. Het hele verloop en alle blogs daarrond vind je HIER.

Van de tekening van Bruegel werd een ets gemaakt en een druk maar die druk was (vermoedelijk) niet zoals Bruegel die zelf wou. Het was dan ook voor Bruegel snel duidelijk dat hij naar zijn vertrouwde drukker/etser terug moest. De tekst op de banier (waar een deel van het mysterie om draait) is helemaal aangepast. Hieronder de tekening van Bruegel, de etsdruk en mijn versie.

De tekst werd door de etser aangepast. Of dat in opdracht van Bruegel is gebeurd is niet duidelijk maar zeker is dat de tekst op de ets niet dezelfde is dan de tekst op de tekening. Ik probeerde zo dicht mogelijk bij de originele tekst te blijven (met als gevolg dat ook deze onleesbaar is gebleven).

Een ander topverhaal was dat van de imkers. De honingdieven waarvan je het hele verhaal HIER kan vinden. Ik verwijs daarbij regelmatig naar de 4e man in de boom. Die lijkt heel erg op de man in de boom in het schilderij “de nestrover”.

Het linkse is beeld is ook weer zo’n typische Bruegel: het verhaal van de splinter en de balk. De man op de voorgrond wijst naar de eierdief die – zo voorspelt zijn pet – niet lang meer in de boom zal hangen. En dat voor een paar eieren. Tegelijk loopt de figuur op de voorgrond in volle vertrouwen recht de afgrond en de beek in. De imkers (de honingdieven) hebben een vergelijkbare figuur rechtsboven. Deze valt weliswaar niet uit de boom. Hij staat op de uitkijk terwijl zijn collega’s de buit veilig stellen. Zullen de dieven het zonder kleerscheuren halen? Of gaan ook zij recht de afgrond in? Het waren moeilijke en harde tijden in de 16e eeuw. In ieder geval is op beide werken de spreuk “dye den nest weet dye weeten, dyen roft dy heeten” van toepassing.

PS: ivm het linkse schilderij wordt wel eens gefluisterd dat Bruegel voor de grote figuur op de voorgrond geïnspireerd werd door Michelangelo.

Het schilderij de eierdief is te zien in het Kunsthistorisch Museum van Wenen en meet 59.3 × 68.4cm. Tiens…dat is nog ’s haalbaar voor een Bruegel 4 te maken 😉

BOTTICELLI: DE VENUS VAN MAX (6)

Dagen zonder organiseren. Heel even kan het nog. Dus geef ik er een lap op en leg me heel toegewijd en met enige voorzichtigheid bovenop de Venus. Je had het moeten zien. Maar helaas zijn er geen foto’s van mijn “standje” met Venus 😛

De torso van de Venus is klaar. Ook haar rechterbovenbeen is grotendeels klaar. Ik sluit deze dag af met de gedachte dat ik enkel nog het scheenbeen en de tenen moet doen, dat dat best snel zal gaan. “Het is dat maar”, troost ik mezelf een beetje. De organisatie van de Expo in combi met de daytimejob en deze tekening begint wat te wegen. Van Hemel is geen 20 meer… Maar intussen heb ik toch maar lekker al mijn tanden terug in mijn mond.

Gedreven blijf ik de grond delen met mijn tekening. De vooruitgang zien motiveert. Het resultaat is boven mijn verwachtingen. Ik ben erg blij met het resultaat. De combinatie van het azuurblauwe, luchtblauwe en de warmte van haar huid is bijna de perfecte cappuccino van Brecht. Een paar uren verder ben ik er. Het einde van dit verhaal. Fixeren en nog snel een degelijke foto nemen. Op naar de volgende tekening! Nog de laatste 3 aanpassingen op een rijtje. Kan je de verschillen vinden? Ik geef je alvast wat tips mee onderaan…

Tek 1: de benen zijn helemaal uitgewerkt. Het gezicht is bijgekleurd en is nu warmer (een tintje roder) dan voorheen. Venus staat nu met haar voeten in het water. Het bassin doet dienst als vervanger van de schelp.

Tek 2: Dat de zee en de lucht werden ingekleurd zal wel opgevallen zijn. Had je ook gezien dat de rotspartij rechts in beeld meer hooglicht en diepte heeft meegekregen? De rotsen kregen ook nog wat extra details mee, de zee wat golven.

Tek 3: Is op zich dezelfde dan tek 2 😉 Maar na fixeren en onder een noorderlicht gefotografeerd.

De tekening is te koop. Ik zou het echt leuk vinden mocht deze tekening ergens bij iemand terecht komt die ze even prachtig vind dan ik. Liefst een koffieliefhebber maar dat is een extraatje 🙂

BOTTICELLI: DE VENUS VAN MAX (5)

Ik blijf het leuk vinden om, terwijl ik teken, vinylplaten op te zetten. Welke #tekenplaat ik opzet kan je volgen via Instagram. Zoals al eerder gezegd, ik hou zo een beetje de tijd bij en dan beweeg ik ook nog ’s een keer. Tijdens het tekenen en zeker tijdens het inkleuren geraak je snel in een soort trance. De mono-toon van het schuren van de punt tegen het blad en de eentonige beweging laten mijn geest snel loskomen van mijn atelier. En zo ontstaan er dan weer nieuwe ideeën maar daar kan ik nu nog niets over zeggen HAHAHAHA.

De achtergrond staat er op en ik ben aan het gezicht beginnen werken. Dju zeg, dat krijt is een vuile boel! Ik moet constant over de rand gaan want als ik er aan kom: strepen en vlekken…

En zo zakken we verder van kop tot teen 😛 Tussen de vorige en deze tekening zit een reisje naar Firenze om aldaar “het origineel” werk van Botticelli te gaan bekijken. Zalig mooi is dat maar veel te veel volk om het op uw gemak te kunnen zien. Beetje zoals bij de Mona Lisa in’t Louvre. De hand is inmiddels klaar.

BOTTICELLI: DE VENUS VAN MAX (4)

De organisatie van EXPO13 vraagt heel wat tijd en aandacht. Tussen de vorige tekening en waar we vandaag staan zitten 6 weken. Niet dat er 6 weken is getekend. Er is georganiseerd. Gefocust op sponsors, op de deelnemers, op het verloop van de randactiviteiten…

Inmiddels weet ik wel te zeggen dat deze tekening EXPO13 zal halen en wie dus graag een beetje voorsprong neemt op de blogs, die komt best ’s kijken 😉

De schets van Venus staat er op. Ik realiseer me meer en meer dat de hele tekening verder plat op de grond zal moeten worden gemaakt aangezien ik nu even niet de mogelijkheid heb om in de living te gaan werken (daar staan 4 portretten op het programma) en mijn tekenruimte niet hoog genoeg is om deze tekening verticaal te laten staan en tegelijk de zolder op een “normale manier” te gaan betreden.

Dus als je mijn voeten op de foto’s ziet, ’t is niet dat ik al de muren kan oplopen, het is gewoon de tekening die op de grond ligt 😉

Uit de treinbegeleider heb ik geleerd dat de combi van krijt met potlood loont inzake tijd. De kost daarentegen is wat anders. Pastelkrijten zijn sowieso al niet van de goedkoopste (alsof mijn potloden goedkoop zijn), maar daarnaast vraagt het toch wel enige ervaring en een (zeer) goed ook om exact dezelfde kleuren in krijt als in potlood te vinden. In de muziek spreek men van een “absoluut gehoor”, ik denk dat er toch ergens een vergelijkbaar fenomeen is in kleuren.

Het bijkomende voordeel van het gebruik van krijt is dat ik erg snel de compositie en kleurencombinaties kan overzien. Daar waar ik oorspronkelijk het idee van de schelp ging overnemen is met de weken dat idee vervlogen en wil ik liefst een andere achtergrond. Ik heb me verzoend bij de visie dat “geïnspireerd op” helemaal niet hoeft “bijna ’t zelfde” te zijn. Al maak ik graag copies, ik doe er even graag m’n eigen ding mee. De Venus zal blijven uit de zee komen maar dat mag best iets steviger zijn dan zomaar een schelp. Na een steampunkdecor en een oversized koffieboon te hebben overwogen, wordt het een rotsachtig natuurlandschap. Dit nog steeds als verwijzing naar de zee maar ook als verwijzing naar de overtocht van de koffieboon van een of ander overzees land tot in deze lage landen…

Ik maak er in gedachten Bretoense rotsen in combi met het prachtige azuurblauwe van de Middellandse Zee. Dat wordt geen gemakkelijke maar hey, wie zegt dat het gemakkelijk moet zijn? Max maakt toch graag het verschil niet? 😉

Zurbaran: Highway to hell (04)

Oei…zo’n titel en dat publiceren op Valentijn…Maar foert, alles voor de kunst 😉

We waren gebleven bij de aandacht trekken op het hoofd, de donkere sfeer, het gevoel van een slachtoffer dat geen kant meer op kan… Ik werk verder en het beeld wordt alsmaar sterker maar ook donkerder.

De houtskool van de achtergrond maakt het gezicht van het schaap donker. Ik weet nog niet welke richting dit uit gaat maar het is een beetje moeilijk als ik zodoende de focus wil houden. De hoorn van het schaap gebruik ik als “nimbus”, niet echt maar toch een beetje. Ik moet het doek van de ezel tillen als ik de achtergrond wil donkerder maken zonder het schaap helemaal grijs/zwart te laten worden. Vanaf nu wordt er op de grond gewerkt…

Kak! Wat een vuile boel. Zwarte handen, zwarte nagels,…Het moet ook iets doortastender want met dit doek en de houtskoolstaaf krijg ik de achtergrond niet zo donker als ik dat graag had willen hebben. Creatief denken…Wat heb ik in mijn kasten en waarmee kan ik aan de slag? Met de tijd heeft een mens al eens wat in huis dat “ooit” van pas komt…

Een schuif met potten vol pigment. Tussen de ophangsystemen…Logica? Geen maar je wil niet weten waarom ik die naast mekaar verzamel. Enfin, de potten maken de dag! Strooien maar die handel!

Vieze boel maar het pigment hecht zich niet (genoeg) aan het doek. Als ik de rest (het pigment dat zich niet heeft gehecht) er nu afhaal, dan is de achtergrond naar mijn idee niet donker genoeg. Dit moet beter…Oh! Wacht ‘s! Jaren geleden maakte ik tekeningen op doek waarbij ik pastel combineerde met water. Dat moet hier ook lukken. Pigment vochtig maken en in het doek, in de groeven, insmeren. YES! Gelukt! Nu een paar uur wachten tot alles droog genoeg is om terug op de ezel te kunnen werken.

Ik maak gebruik van de tijd om het schaap van Zurbaran nog nader te bestuderen en zie hoe hij licht en donker bespeelt door met zwart, wit, bruin en geel te werken. Het is een gok om het geel er in te leggen, echt zeker ben ik niet. We zitten ver in het proces en dat kan betekenen dat een gele streep gelijk staat aan de mislukking. Ik ga er voor. Afwerken met donker geel, vermengd met houtskoolzwart steekt mooi af op de donkere achtergrond. Ik focus verder op de diepte in de tekening en na vele uren ben ik tevreden genoeg om het er bij te laten. DIT is mijn Agnus Dei.

Het schaap is gebaseerd op een screenshot uit de film Dýrið.

Zurbaran: Claustrofobisch (03)

Een tekening is niet altijd klaar in mijn hoofd wanneer ik er aan begin. Meestal wel maar niet altijd. Soms is er twijfel, de gedachte van “we beginnen er aan en zien wel wat het geeft”. Het portret dat ik onlangs maakte naar een portret van Rembrandt ligt nog steeds in de twijfelschuif. Zal ik er verder aan werken en hoe? Waar is het genoeg, waar is het overkill?

In tegenstelling tot het mooie witte en onschuldige lam wou ik zelf een zwaar, donker, treffend beeld maken. Maar enigszins met verwijzing en een vergelijkbare afwerking dan die van Zurbaran. Hoe een sfeer kan veranderen zie je als je de galerij hieronder doorklikt.

Totaal onverwacht valt het stof van de houtskool op het doek en laat het zwarte strepen na. Ik vond dit een sterke weerspiegeling van het schaap in de plaat. Alsof het op zo’n metalen tafel ligt dat je al eens bij de dierenarts ziet. Ideaal om het bloed en alle afval op te vangen dat zo’n slachting met zich mee brengt.

Het beeld spreekt me aan…Door de zwarte zone aan de kop van het schaap lijkt het in een hoek te liggen. In het nauw gedreven. Het kan geen kant meer op en er blijven niet veel opties meer over: vechten, vluchten of ondergaan. Daarom wil ik de nadruk op het hoofd, op het claustrofobische versterken. Ik grijp terug naar Zurbaran en bestudeer de donkere – soms nietzeggende – achtergronden die regelmatig in zijn schilderijen voorkomen. De lichtinval mag ik niet het oog verliezen en daarom stuur ik alles naar het gezicht van het schaap.

Zurbaran: Tanquam Agnus (02)

In de vorige blog bracht ik op mijn eigen manier schilder Zurbaran onder de aandacht. Ik ga nog even verder met deze mini-reeks.

Zurbaran (1598-1664) is dus tijdgenoot van bekende namen uit de Gouden Eeuw, nazaten van de renaissance en ook alles wat met Barok te maken heeft. Maar omwille van de toen heersende “cultuur” in Spanje houdt Zurbaran zich meer vast aan de heiligmakende taferelen. Dit doet geen afbreuk aan de kwaliteit, de finesse waarmee hij werkt.

En die expertise maakt ook zijn succes. Maar – zie eerdere blogs over renaissance, barok en rococo – de tijden veranderen snel en dat maakt dat stijlen ook snel komen en gaan. Ik zei al dat Zurbaran zich in het begin vooral beperkte qua thematiek en dat was niet te verwonderen. Spanje zat in een soort geloofscrisis die keihard het katholicisme moest propageren. Deze propaganda was wereldwijd want het waren ook de jaren dat Spanje heel Midden- en Zuid-Amerika ging opkuisen met blinkende harnassen (pro memorie: de “landing” van Columbus was in 1492, we zijn nu ongeveer 100 jaar verder).

Het ging Zurbaran ook niet altijd voor de wind. Zijn vrouw overleed kort na de geboorte van hun 3e kind en zodoende stond Zurbaran er niet alleen in voor de kost maar ook voor de gezinszorg. Hij moest dus goed zijn partij kiezen want geen opdrachten = geen geld. Via connecties en bewezen opdrachten in de buurt van Sevilla, trol hij naar Madrid om er wat “propaganda” voor de koninklijke familie te schilderen. Daar hadden ze het echter niet zo voor dat clair obscure van Caravaggio. Het moest vooral praal, macht, succes uitstralen. Dus schilderde Zurbaran triomftaferelen waarbij we zeker wel de invloed van Velazquez herkennen. Mannen in blinkend harnas in pamperbroeken en ballerinapasjes voor een greenscreen lieten de kassa rinkelen.

Maar opdrachten ondermijnen de creatieve geest. En tegelijk komt de Barok opzetten. Drama, pijn, rock ’n roll, gitaren …ah nee, geen gitaren, dat kwam later…overdreven draperieën, engelen, wolken etc maken het voorwerp van de schilderijen. Zurbaran volgt en keert terug naar Sevilla om zich, naar gewoonte, te smijten op katholieke taferelen maar deze keer met een barokke insteek. Soms is het subtiel maar eens je’t weet, bekijk je de schilderijen helemaal op een andere manier.

In bovenstaande vind ik vooral interessant dat Maria borstvoeding geeft aan haar kind. Toch iets wat we niet zo veel zien. Een suggestie of aanzet tot wordt meer in beeld gebracht.

En zo komen we in ons verhaal tot de schilderijen van het Lam Gods, Agnus Dei voor de vrienden. Dat bleek een succesnummer te zijn want Zurbaran (en zijn atelier) maakten er verschillende versies van. Kopiëren was in die tijd gelijk vandaag een origineel schilderij bij Ikea kopen: ge zoekt u een paar pineuten die onder de marktprijs aan de lopende willen schilderen en iedereen heeft zowaar ongeveer ’t zelfste “origineel” in huis. Er zijn dus meerdere versies van dit schilderij. Het lam hoeft geen bijkomende uitleg. We kennen de symboliek van het lam dat zonder zonde wordt geslacht en een rechtstreekse verwijzing is naar Jezus, “tanquam agnus”… Niet dat ik zo katholiek geïnspireerd ben maar ik vind/vond het beeld zo sterk dat ik er mijn eigen versie wou van maken. Het is tegelijk alweer een zoveelste aanzet naar de expo die in mei/juni zal plaats hebben.

In tegenstelling tot Zurbaran kruis ik de poten van het beest NIET maar zoek ik diepte in het beeld waarmee ik de kijker wil opslorpen en betrekken. Wees deel van de emoties van het schaap, geen passieve kijker/aanbidder.

Zurbaran: de Spaanse primitief (01)

Laten we voor dit verhaal nekeer starten met een vraag. En niet spieken hé…

Noem me eens een bekende FRANCISCO…

Als ik op het internet zoek dan vind ik alvast deze top 10:

  • #1 Francisco Franco
  • #2 Francisco Goya.
  • #3 Francis Xavier. Given name: Francisco. …
  • #4 José de San Martín. Given name: Francisco. …
  • #5 Pancho Villa. Given name: Francisco. …
  • #6 Francisco Pizarro. Surname: Pizarro. …
  • #7 Francisco Vázquez de Coronado. …
  • #8 Francisco I. …
  • #9 Francisco de Zurbarán
  • #10 Francisco Massimo del Cielo

Staat de uwe er niet tussen? Zet ‘m dan in de commentaren. Ik ben benieuwd. Maar het goeie nieuws is dat de Francisco waar ik het wil over hebben wel in deze top 10 of eerder top 9 staat.

Er staan wel nogal wat schilders/kunstenaars tussen de lijst. Allez, ’t is niet dat ik het over Francisco I zal hebben. Goya goh ja… 😉 Hij is wel sterk maar ’t is niet echt mijne stijl. Pizarro en Francisco Vázquez de Coronado zijn “ontdekkingsreizigers”. Met een Spaanse naam is ontdekkingsreiziger meestal niet de meest onschuldige job….nope…sla maar over.

Nummer 9…Dat is nekeer iets, allez iemand, interessant. Zurbaran…Zurbaran…nekeer screenen…oh excuseer “de” Zurbaràn. Ha! Een beetje gelijk “de” Max LOL. Zeg vanaf nu dus niet meer Max maar dé Max, met zo’n streepke op de é LOL

Nee serieus Francisco de Zurbaràn maar ‘k ga voor ’t gemak gewoon Zurbaran schrijven…voor de vrienden.

Zurbaran is een Spaanse schilder. En in tegenstelling tot de Italianen en de Vlamingen waar ik het tot nu toe over had, is onze Francisco nogal exclusief bezig met godsgezinde taferelen of het schilderen van heiligen. Pure contrareformatie. Mooi werk, technisch heel sterk.

De literatuur vergelijkt hem graag met Caravaggio maar ik ga daar toch niet helemaal in mee. Caravaggio is op kunstvlak vooral gekend voor zijn theatrale, expressieve, provocerende schilderijen met donker-lichtcontrasten en die vind ik niet altijd terug bij Zurbaran.

Al zijn er wel schilderijen van Zurbaran die zeker doen denken in de richting van deze licht-donker meester. Maar dan weer zou ik evengoed de link kunnen leggen met Rembrandt. Laat er geen twijfel over bestaan, deze 3 kleppers beheersen het licht en de duisternis als geen ander.

Wat mij persoonlijk vooral aanspreekt bij Zurbaran is de manier waarop hij textiel weergeeft. Als we’t over textielschilderijen hebben, dan komt meteen de naam Van Eyck naar boven. De details in de kledij, de weerspiegelingen, de reflecties/interacties van de kleuren zijn bij Van Eyck inderdaad meesterlijk. Bij Zurbaran herkennen we (alweer) hetzelfde kleurenpalet dan bij Rembrandt en Caravaggio: veel aardkleuren, bruintinten, beetje rood en functioneel blauw. Draai dat maar door de blender.

Wat textiel betreft mag hij zeker naast Van Eyck worden gezet. Zurbaran schildert geen dure, fel gekleurde kledij met veel franjes en patronen. Dat mag niet van de contrareformatie. Het zijn sobere kledingstukken. Worden het toch de pronkstukken uit de kleerkast dan nog blijven ze in een rustgevend kleurenpalet weergegeven. Doch vergis u niet, onze paterschilder kan ook uitpakken met prachtige jurken.

Maar ik geef toe, Zurbaran zou nooit mijn eerste aandacht hebben getrokken ware het niet dat hij meerdere versies maakte van het Lam Gods. Zijn Agnus Dei (ong. 1635-1640) is een prachtstuk. Elke versie ervan verschilt een beetje maar telkens zijn het geweldig sterke stukken. Het gebonden schaap dat geen weg meer op kan, dood of moegestreden is en zijn lot ondergaat. De details van de vacht en de horens, gecombineerd met de prachtige lichtinval. Daar kan ik niet onberoerd bij blijven. Daar moet ik een cover van maken…

Horreur #1

Toen ik begin deze maand naar MUZEE trok zag ik daar een schilderij van Thierry De Cordier met de titel “Dieu est une poire” dacht ik meteen “wat een walgelijk idee om een schilderij naar een peer te noemen”. Een grote peerachtige blauwe vlek op een doek.

Toch had ik de dag voordien zelf een peer getekend, nog niet wetende van het schilderij van De Cordier. Omdat ik een hekel heb aan peren, zou ik de tekening eenvoudigweg “horreur” noemen.

Ik vond de vergelijkingen van beide peren best interessant. Omdat mijn afkeer voor peren feitelijk oneindig is herdoop ik deze tekening tot “horreur #1”. Lijkt me grappig, niet?

Get Back!

Na 3 weken schoolvakantie (en voor mijne jongsten was dat 4 weken) gaan de kinderen vandaag weer naar school. Beetje aangepaste corona-quarantaineregels maar voor de rest blijft alles (eindelijk) eens wat stabiel.

Het einde van de schoolvakantie betekent tegelijk dat ook ik weer aan de slag moet. Voor “het dagelijks brood” op de plank en om al mijn tekenwerk mogelijk te houden. Ik heb genoten van mijn weekje los van de verplichtingen en gezellig bij het gezin. We hebben de hele familie gezien en zelfs (gerookte) vrienden op bezoek gehad. Maar nu is het tijd om de joekel van een achterstand op de blog van kunstvriend Koen Schyvens in te halen. Die heeft met MDLM-reeks niet stil gezeten. Wat een blogtempo!

Dus toch een beetje een boe on you en ook een beetje hoera. Maar gisteren dacht ik er nog net even anders over 😉

PS: klein weetje: vandaag 53 jaar geleden stapte George Harrison het af bij The Beatles. Hij kwam later nog wel terug maar de groep zat duidelijk op zijn einde. Eerder al hadden JL en PM gezegd te willen “scheiden”.

Tekening naar een beeld uit het MSK te Gent

Op naar het stripmuseum!

De voorbije week was het wat stiller omwille van ziekte. Gelukkig geen corona maar toch goed genoeg om mijn nog eens “een echte man” te voelen. Naar jaarlijkse gewoonte was er weer een aanval op mijn sinussen en dat sleept dan meestal ook wel een paar weken aan. Alleen die laatste week was er wat te veel aan: barstende hoofdpijn, slecht slapen, snotteren, hoesten,…met dan als neveneffect geen energie meer, geen concentratie,…het zielige hoopje zoals elke man hoort te zijn wanneer hij maar een klein beetje ziek is 😉 Gelukkig geen corona, dat heb ik 2x getest.

Maar tussen dat gedoe kwam er ook het goede en verlossende nieuws binnen van De Nationale Museumwedstrijd. Van 22 december 2021 tot en met 9 januari 2022 mag ik met mijn tekening van de treinbegeleider tussen enkele groten der aarde gaan pronken: Hergé, Rosinski, Linthout, Vandersteen, Morris,…misschien zelfs Pom staan. Mijn tekening gaat dus naar het stripmuseum te Brussel!!! Dat een plekje in een museum op de bucketlist stond, dat het een natte droom was…maar het stripmuseum? Dat was in mijn stoutste dromen totaal ondenkbaar. Volgende week maak ik er werk van (als er weer energie is).

Beetje nostalgie is gepast. Wie mij al jaren kent weet dat ik in mijn studententijd de lessen regelmatig verstoorde met mijn cartoons die van bank naar bank werden doorgegeven. Het waren meestal gags in 3 prentjes (beetje Garfield of Hagar-achtig) waarin ik de frustratie van de les of de actualiteit verwerkte. Maar al veel vroeger, toen ik zo’n 11jaar was, maakte ik mijn eerste stripverhalen. Eéntje ervan verscheen in het schoolblad (ik moest het verhaal wel inkorten omdat ik meteen ging voor de volle strip).

Samen sterk!

Hoe verwoord ik de gebeurtenissen van de laatste dagen?

Dat ik bij alle stemmers in het krijt sta. Dat is wel duidelijk 🙂 Een ongelooflijk spannende “competitie” hield ons allen (bij ons thuis maar ook velen onder jullie) op het puntje van de stoel tot de laatste minuten van 31 oktober 2021. Op 2244 ingestuurde projecten plaats 15 halen is een topprestatie. Ik smeet me helemaal en écht velen onder jullie stapten mee in deze competitie. Nog nooit eerder werd één werk zo veel gedeeld op facebookprofielen en Instagrams. Op kaartjes. Verspreid op kunst-/cultuurpunten, winkels en mails.

En dat het spannend was dat is wel heel erg duidelijk wanneer we de scores naast mekaar leggen. Het werk “suppressed” stond bijna de hele week op 12, ik stond meermaals op 13. De laatste 6 in de reeks hebben een verschil van slechts 3 stemmen. Het Eurosongfestival is niet eens zo spannend. Zelfs met gekochte stemmen konden een aantal deelnemers (waaronder nr1) “ons treinteam” niet uit de 15 eerste werken stoten. Het resultaat van jaren hard werken en opofferingen komt als een duiveltje uit een doosje in beeld.

Ik laat nog weten hoe dit nu verder verloopt. Strikt genomen belandt de treinbegeleider weldra in een Belgisch museum. Ik hoop dat dat mij 533 pintjes, cava’s of fruitsapkes mag kosten. Daarover later meer.

MAAR het belangrijkste is dit DANKwoord aan jullie allemaal. De eerste die mij nu nog ’s durft te zeggen dat kunst een bezigheid is voor solotrippers krijgt van mij 533 antwoorden. Ik hou de lijst met de stemmers goed bij; “dat heb je niet voor niets gedaan” 😉 Dank aan alle stemmers, aan alle volgers, aan alle mensen die mijn bericht mee hebben verspreid, aan alle mensen die ik nog niet ken maar die ik bij deze zag verschijnen. Dank aan alle mensen die op de één of andere manier hebben bijgedragen op een die ik zelfs niet meteen kan bedenken.

En een grote merci aan Rachid, de immer goedgemutste treinbegeleider die voor deze tekening model was en zich vreselijk moest inhouden om niet te lachen tijdens de sessie.

Frans Hals: de lachende cavalier (12)

Challenges altijd de uitdaging waard. Elke zomer verleg ik een grens, ga ik in dialoog en tegelijk in een soort steekspel met een bekende kunstenaar en een iets minder bekend werk. Een topwerk met een verhaal en een hogere technische uitdaging. De uitdaging loopt over de zomer omdat dan het exposeizoen zichzelf niet “ververst”. Er zijn geen nieuwe expo’s, wat loopt loopt wat niet loopt start ergens in september.

2 juli lanceerde ik een teaserblog om officieel te starten op…

Lees verder “Frans Hals: de lachende cavalier (12)”

Frans Hals: de lachende cavalier (11)

Was het je ook opgevallen dat er bij de vorige blog ergens “tekst” stond tussen de foto’s? De blog stond al klaar geprogrammeerd voor publicatie maar ik was nog niet klaar met schrijven…En om die opmaak al klaar te kunnen maken zet ik dan soms “tekst” tussen de foto’s, dan weet ik waar ik nog iets moet schrijven. Maar dat was ik dus uit het oog verloren met de vorige blog. Ik zal – nog maar eens – moeten toegeven dat ik wat te veel hooi op mijn vork aan het nemen ben de laatste dagen: de cavalier, het marktje in Menen, het (grote) Kunst in het Dorp, de planning 2022 en ja daarnaast heb ik nog een “hobbyjob” te onderhouden om deze kunstactiviteit te sponsoren. Een bekend Belgisch politicus zou al eens durven stellen: “trop is te veel én teveel is trop”.

De tekst ging ‘m natuurlijk over die “ajuin”. Het topje van een zwaard…Of was het een degen? Of een rapier? Ik ging even op onderzoek naar was nu precies de verschillen zijn. Want toegegeven: onder de bekendste zwaarden kennen we Excalibur (het zwaard in de steen van koning Arthur), het typische samuraizwaard, het degen van Zorro, het zwaard van Ardoewaan,…of een moors zwaard. En als je er even bij stil staat, die kennen allemaal een andere vorm. De kwestie is dus met welk wapen hebben we hier te maken?

En dan begon ik met zoeken naar zwaarden uit “de gouden eeuw”. En ziet waar ik op bots: het zwaard van ene Michiel De Ruyter (voor de Belgen doorsnee een onbekende maar toch wel één van de meest bekende Nederlanders) en de rapier van Rubens. Zonder chauvinistisch te willen zijn, ga ik iets dieper in op dat laatste omdat die nog het meeste op het zwaard van mijne cavalier lijkt maar ook omdat het wel wat op dat “zwaard” lijkt.

Nu noemt men “het zwaard” van Rubens een “rapier“. Een rapier is een relatief slank, scherp gepunt type zwaard dat vooral in de 16e en 17e eeuw in Europa werd gebruikt. Rapier en degen werden vooral gedragen en gehanteerd door de rijke burgerij, die steeds meer aan belang won. Deze burgerij hechtte meer waarde aan sierlijkheid dan aan efficiëntie en zodoende werd het rapier meer en meer verfijnd.
Dit leidde uiteindelijk tot de ontwikkeling van de degen, een slankere, lichtere versie van het rapier.

Dit past perfect in ons kraam en bevestigt dat de cavalier een gegoed burger. De “ajuin” is duidelijk het einde van het degen. Dat het een rijk versierd stuk is – en dus het model van Rubens benadert – is wel duidelijk. Niet alleen aan het uiteinde kan je dat zien. Op het schilderij is het haast onzichtbaar maar door de reconstructie kan ik u het gevest ook laten zien. Dat zal later weer in de duisternis van de schaduwen verdwijnen. Geniet van het moment zou ik zeggen 🙂

Frans Hals: de lachende cavalier (10)

OK, kunnen we concluderen dat “de lachende cavalier” eigenlijk “nen ajoin” is? Zou dat niet leuk zijn! Na al die hypothesen van dat het een rijk edelman is of een kleermaker of (kleine kans) toch een cavalier blijkt het finaal een Aalstenaar te zijn. LOL. Geweldige ontdekking zou dat zijn 🙂

Maar dat is het meer dan waarschijnlijk niet. En toch…stel dat we deze frivole vent een naam zouden mogen geven, hoe zouden we hem noemen? Zet de ideeën maar in de opmerkingen 🙂 Ik ben ’s curieus hoe jullie hem zien.

tekst

Frans Hals: de lachende cavalier (09)

Een weekje Parijs had als resultaat dat er vorige week geen Cavalierblog was maar goed, voor de Instagram-volgers was er zeker genoeg input: foto’s van straatjes, parken, bistro’s en schetsen ergens ter plekke 🙂

Nog even terugkomen op blog 08. Ik had het daar over die valse mouwen en nonkel Albert 😉 Het gezicht op het schilderij waar ik naar verwees heeft officieel nog steeds geen naam maar wanneer ik verder lees, dan is er toch wel heel wat twijfel dat het heerschap op het schilderij niet Isaak Abrahamsz Massa is. Deze man poseerde meermaals voor Hals en was hij ook al niet de man met de pose waarbij iemand over de schouder kijkt? Ik laat u zelf oordelen of het om dezelfde persoon gaat of niet…

Isaak Abrahamsz Massa of niet?

Isaak Abrahamsz Massa (zeker)

Let bij bovenstaande ook ’s op de mode van de tijd. We hadden het er al eerder over maar ik wil er toch graag nog’s de nadruk op leggen. De hoed lijkt wel een vergelijkbaar model van dat van onze cavalier, niet?

Bij blog 08 gaf ik een aanzet naar het laatste stuk van de mouw. Enkele knoppen kregen al een onderkleur. Daar heb ik verder aan gewerkt. Maar ook nog een stuk mouw (binnenkant elleboog) is ingekleurd. Omdat de foto’s verkleind zijn is het misschien niet allemaal zo duidelijk maar nog even geduld. Wanneer de tekening klaar is, zet ik ze in hoge resolutie op de laatste blog van deze reeks.

En dan was er ook nog die gouden ajuin die in bijna uit het niets opduikt. Zo gefocust op de vele kleuren en kleine tekeningen dat ik die knobbel bijna uit het oog was verloren. Die knobbel hoort bij een zwaard maar daarover later meer. For now houden we het frivool op een gouden ajuin. Aalstenaars vinden dat zeker best OK zo 🙂

Frans Hals: de lachende cavalier (08)

Waar waren we zo wat gebleven? Ah ja (alsof ik het niet meer wist), bij de borduursels op de mouw. De vele gekleurde stiksels op de zwarte stof. Ik kan het er nog lang over hebben maar dat zou toch een beetje te saai worden. Daarom: FROVILITEIT! of frovilitijd voor de lolbroeken die mijn flauwe mopjes wel kunnen hebben 😉

Het naslagwerk over Frans Hals is zo’n 440 pagina’s dik en daar staat wel wat meer in om te ontdekken. Dus ga ik wat op zoek naar kunstweetjes over het werk van Hals en zijn tijd. Meer hieronder 😉

Lees verder “Frans Hals: de lachende cavalier (08)”

Frans Hals: de lachende cavalier (07)

Bij de vorige blog beloofde ik dieper in te gaan op hoe het borduursel tot stand komt: tekengewijs dan. Dat loopt namelijk helemaal anders dan hoe je dat al schilderend zou gaan doen. We waren gebleven bij het stuk links van de zwarte jas. Ik zet hier voor de liefhebbers ook een detailfoto van de borduursels bij 🙂

Ik stap nu over naar rechts. Aan de mouw zelf. Die staat ook vol van deze prachtige tekeningen. En ze stralen op alle mogelijke manier status, macht, geld uit. Dat voedt de opties dat het hier gaat om een stoffenhandelaar die adhv dit schilderij zijn eigen waar en/of kunnen in the picture zet. In ieder geval zet het aan om zelf een geborduurde jas te kopen. Wie meent dat borduren uit de mode is, is ferm mis. Zelfs de betreurde Dusty van ZZ-top wist er weg mee in zijn kleerkast…

Dus hoe teken ik nu zo’n borduursels? Wel…Eerst is er natuurlijk de schets (zie eerdere foto’s) maar die is gemaakt met het (beruchte) tekenpennetje van 0,2mm dik. Dat potlood is zo “vet” (2B) dat het steevast vermengt met de kleuren als ik er over ga. Daarom moet ik – hoe raar het ook klinkt – eerst de schets lichtjes overgommen (ik rol erover met de kneedgom) om echt nog maar een zeer lichte schets over te houden.

En dan bouw ik op van licht naar donker. Dus begin ik met geel, rood en heel licht blauw. Die kleuren moet niet echt precies zijn, als ze maar op de juiste plaats staan. Daarna werk ik tussen en rond de kleuren tegelijk de tekening en de donkere inkleuring uit. Waar nodig herteken ik (bvb bij dwarse stiksels) de scherpe partijen. Finaal worden de accenten met fel rood, oranje en hemelsblauw afgewerkt. Op de foto zie je nog ’s een overzicht van alle kleuren die werden gebruikt voor dit stukje.

Frans Hals: de lachende cavalier (06)

Vooreerst: niet te vergeten: dit weekend teken ik “live” aan de lachende cavalier in de Boesmolen (Herne). Langs een kunstroute zie je meerdere afdrukken in open lucht en kan je op enkele locaties naar binnen om de kunstenaars te ontmoeten. HIER MEER INFO daarover.

We gaan er een beetje meer vaart moeten insteken of deze tekening raakt niet klaar voor het eind van de zomer. Laat het geen epistel worden gelijk de kopie van de Toren van Babel 😉

Bij blog 05 had ik een aanzet gegeven tot de zwarte jas van de cavalier maar aan het borduursel had ik nog niet geraakt. Heb je daar al eens goed naar gekeken? Dat is gene kattepis 😉 Het zijn niet zomaar kleurrijke streepjes en krulletjes die op de mouw gespeld zijn, het zijn allerhande fijne miniatuurtekeningen. En dat er veel kleurwerk aan te pas komt, ik ga het niet verbergen (wat is anders het doel van de blogs rond de zomertekening 😉 )

Op de foto’s hierboven zie je een stukje van de geborduurde jas. Het is zo ongeveer 3x3cm. OK, ik had gezegd om niet meer in uren te tellen, dus tel ik in plaatzijden. Terwijl ik teken zet ik soms vinylplaten op. Dit stuk heeft 4 kanten versleten. Voor 9cm². ’t Geeft u een beetje een idee.

Ik kan nu nog lang vertellen over over hoeveel tijd het vraagt om al die figuurtjes uit te tekenen maar ik hou het nu nog even kort. Een flink aantal uren verder staat dit stuk vest er op. Bij een volgende blog ga ik dieper in op hoe ik het aanpak om die borduursels tot een goed einde te brengen, mis ‘m niet. Het is zeker de moeite. En wie een beetje kan tellen heeft bij deze begrepen dat ik een paar weken op voorhand over mijn tekening blogde maar nu helemaal “a jour” sta.

Frans Hals: de lachende cavalier (05)

Er zijn ook bij deze cover stevige uitdagingen door het verschil in techniek. Ten eerste werk Hals zonder tekening. Er is van Hals geen enkele tekening bewaard gebleven. Uit studie blijkt dat de schilderijen direct met verf zijn gemaakt. Hals maakte – om sneller te kunnen werken – gebruik van een huidskleurachtige onderkleur ( zie KW 34 ).

Ten tweede kan je met verf opbouwend/dekkend werken. Dat maakt dat je van donker naar licht kan werken terwijl ik van licht naar donker werk. Bij een grote zwarte partij zoals hier het geval is maakt dat ik eerst alle lichte partijen teken/inkleur om daarna de zwarte er rond te tekenen. Totaal de omgekeerde opbouw dan Hals en vooral erg vermoeiend (elke streep is op voorhand te plannen naar het resultaat).

Bij de laatste blog was het gezicht toch al grotendeels klaar. Er nu wat afblijven is de boodschap. Achteraf bijsturen zal wel nodig zijn.

Dit wordt duidelijk een blog in laagjes…laagjes…héél véél laagjes. Om zot te worden. Waarom begin ik er toch elke keer weer aan (aan die zomertekeningen)? Al is het achteraf wel altijd een zeer leerrijke ervaring 😉 De laagjes verwijzen natuurlijk naar de kraag. Laagjes kant boven mekaar.

Er zijn minstens 5 lagen kant boven mekaar. Niets speciaals aan…mochten er geen tekeningen in staan. Sterren, kruisjes, passers,…verwijzingen naar de vrijmetselaars? Het zou kunnen. De complexiteit zit ‘m de transparantie van de lagen. Daaronder een zwarte jas en tegelijk ook een soort dag/zonlicht maakt dat er witte lagen kant zijn, blauw-gele weerspiegelingen uit de lucht, zwart-grijze doorschijningen door de jas. En dan heb ik het nog niet over de helling in de diepte die worden gesuggereerd…Goh..misschien moet ik toch maar overschakelen naar de koe in het bos. Stukken makkelijker.

Even later… OK, ik heb er me over gezet. Net als bij het gezicht ga ik voor de finale afwerking van de kraag hier later op terug komen. Dat gaat ook daar beter zijn want het zwarte van de jas zal zo dominant worden dat het nu moeilijk in te schatten is in welke mate deze door het kant zal schijnen/breken.

Ik begin dus maar aan een andere uitdaging: de fijn geborduurde tekeningen op de jas. Tegen mijn gedachten in begin ik toch maar links en werk zo naar rechts. Feitelijk zou ik best rechts beginnen. Met al dat zwart zou de boel wel eens kunnen opengesmeerd worden en vuile vlekken geven. We zien wel. Het zijn wasgebonden potloden, die smeren normaal niet (of zeer moeilijk) open. Dat komt wel goed.

Terwijl ik bezig ben, mijmer ik in tijd en ruimte. Op zich werd van de expo Van Eyck ondertiteld als “een optische revolutie”. Maar Hals zou ik ineens een “optisch illusie” durven noemen. Als ik zie hoe die met zijn ruwe, dynamische streken toch gedetailleerd en herkenbaar schildert. Het is te gek.