Bruegel – Kermis in Hoboken: de zotskap (13)

Voor de bespreking van “de zotskap” ga ik wat dieper in op de evolutie van hoe ik tot mijn tekening kom. De basis van de tekening ligt bij de oorspronkelijke tekening van Bruegel uit 1559. De ets (zonder jaartal) hanteer ik arbitrair, om twijfels weg te nemen. Ik ga er van uit dat de etser toch wel beter weet hoe men zich in die tijd kleedde dan enig levende mens anno 2019 😉

Maar ik hanteer de ets wel kritisch want de etser maakt natuurlijk zijn versie van de tekening. En ik doe dat, bij verweerde zones ook wel graag.

De zotskap is zo’n figuur ter interpretatie. Hij komt op meerdere schilderijen van Bruegel voor, op de voorgrond of ergens als “storende element” op de achtergrond. De symboliek van de zotskap is mij nog niet helemaal omschreven. De vraag is of het wel duidelijk is welke boodschap Bruegel wil meegeven met deze figuur en of deze boodschap ook telkens in dezelfde lijn ligt. In een periode van Gentse Feesten of Carnaval zou ik – net zoals het in het beeld staat – durven te stellen dat de zotskap de meute meesleurt. Dat we allemaal graag eens gek doen of het varken uithangen maar dat we finaal gezien onszelf alleen maar voor de zot houden goed wetende dat er altijd een dag van ontnuchteren komt.

Dat de zotskap zo centraal in beeld komt bij deze tekening kan geen toeval zijn. In de literatuur lees ik ook wel wat over de kinderen die blootvoets lopen en dat ook daar een betekenis aan gekoppeld moet worden. Ik kijk naar de houding van de kinderen en zie de linkse jongen het trio aanvoeren. Hij loopt niet alleen zonder schoeisel maar evengoed zonder broek. Het andere kind volgt een beetje houterig op de ets. Op de tekening zie ik eerder een tegentrekker. Zo eentje van “néééé, ik wil niiiii” De houding op de tekening is – voor mij – een kind dat zijn/haar (?) voeten in de grond heeft gebetoneerd en waarvan het bovenlijf met veel tegenzin in beweging moet komen.

Ik vind ook een groot verschil in expressie tussen de tekening en de ets. Dat komt wel meer voor maar hier vind ik het frappant. De zotskap lijkt me op de tekening een eerder oude, apatische man terwijl op de ets hij eerder glimlacht. Het kind rechts is op de tekening duidelijk een tronie. Een ruwe schets van een nukkig kind. Op de ets lijkt het een beetje “simpel” van geest. Omdat de tekening nogal wazig is op die plek vond ik het leuk er een Rembrandtachtig gezichtje van te maken.

En dan nog dit: terwijl ik deze tekening maakte hoorde ik buiten een hond blaffen. Is het niet opvallend dat al deze boeren samen komen maar geen enkele hond (of kat) op de scène te zien is. Een boer zonder hond lijkt me nogal onrealistisch.

Hieronder de originele tekening van Bruegel, de ets en mijn tekening. Op het origineel is deze scène ongeveer 9cmx5,5cm. Beeld u in hoe gedetailleerd dit geschilderd is op het formaat van ongeveer een halve postkaart.

 

Bruegel – Kermis in Hoboken: over kippetjes en zwijntjes (12)

Even voor deze Urbanus citeren:

‘k Heb een krulletje in m’n staart
En een stijve stoppelbaard
Een snuit met twee gaatjes in
En een dubbele onderkin

Bruegel nam deze clichés graag ter hand. De varkens lopen er gezellig bij. Ze hebben allemaal een zeer herkenbare krulstaart en een platte “knor”-neus. De zeug loopt over de weg samen met haar biggen. Als je er een beetje op let houdt ze er een coquette pas aan. Haar expressie zou zo recht uit een Disneyfilm kunnen komen.

Bruegel maakte heel veel gebruik van varkens in zijn tekeningen en schilderijen. Meestal hebben ze telkens een betekenis, daarom niet altijd dezelfde betekenis. Soms staan ze voor armoede, dommigheid, vadsigheid, verspilling, gulzigheid dan weer staan ze voor gezelligheid, het vrije leven, overvloed… De tekst die bij de ets hoort, schetst dat de boeren drinken als beesten. Hier wordt het nog sterker in beeld gebracht omdat de boeren ook echt uitbundig, onbeschaamd er op los feesten en dat staat in schil contrast met de varkens die zich rustig, keurig gedragen.

De varkens van Bruegel zijn zo gekend dat er zelfs een “Boeren-Bruegel”-varken bestaat.

Bruegel – Kermis in Hoboken: alle feesten op een hoopje (11bis)

Alle kermissen op één dag? Het lijkt op een zeker moment wel zo druk dat het me doet denken aan mini-Gentse Feesten of nog beter de processie van Plaisance (Geraardsbergen) waar stadsverenigingen samen op stap gaan door de stad met het reliekschrijn van sint Bartholomeus voorop. Voor wie daarover meer wil weten moet maar ’s contact opnemen met mijn schoonvader.
Dat er zoveel volk op deze kermis te zien is, is dus geen toeval. In 1559 (het jaar van de tekening) verkocht Willem van Oranje het (toen) Brabantse dorp Hoboken aan de Antwerpse gebroeders Melchior en Balthazar Schetz. Grappig dat je toen als kapitaalkrachtige gewoonweg meteen een heel dorp kon kopen. Het dorp was toen de favoriete uitgaansplek omdat het bier er door lagere accijnzen goedkoper was dan in de stad.
In datzelfde jaar vaardigde Filips II een decreet uit waardoor kermissen tot één dag beperkt moesten blijven. Dus alle kermissen moesten samengeraapt worden en hup op een hoopje op de zelfde dag gevierd worden. Los van de feestdag van de heilige of wat dan ook. De spreuk “Laet die boeren haer kermis houwen” op het vaandel van De Sint-Joriskermis wordt daarmee in verband gebracht.
Toch wisten de heersers wel dat de festiviteiten belangrijk waren voor de het maatschappelijk weefsel
Kortom, als alle kermissen gelijktijdig op dezelfde dag moesten worden gevierd (een beetje gelijk een nationale feestdag), dan moest je kiezen: ofwel kermis in eigen dorp ofwel kermis elders. Ik lees dat stedelingen wel ’s graag naar die boerenkermissen gingen.
bron voor deze tekst: catalogus Bruegel, hand van de meester, cat. 47 & cat.81

Bruegel – Kermis in Hoboken: de boogschutters (11)

Het valt wel meer voor bij Bruegel’s werken dat de hoofdrolspelers eerder in de marge van het grote beeld staan dan – zoals gebruikelijk – centraal. Deze kermis staat helemaal in het teken van de boogschutters. We hadden al helemaal bovenaan in beeld de processie met daarin voorop een groep kruisboogschutters, daarvoor het beeld van Sint-Sebastiaan gedragen door 2 mannen. Ik las inmiddels dat deze boogschutters wel eens te gast zouden kunnen zijn geweest bij de boogschutters onderaan in beeld. Daarom dat ze ook mee mochten lopen in de processie. De banier van het café en de muren van het café verwijzen naar boogschutters. Maar tot nu waren de boogschutters buiten schot…euh…beeld gebleven 😉 Nu staan ze er bij.

5 Mannen schieten naar een doel een beetje verder op. Om het zich gemakkelijk te maken hebben ze 2 doelen opgesteld zodat ze niet telkens over en weer hoeven te lopen. De paal is overtrokken met een stof waarop hun doel staat. Achter de paal/het doel staat een muur die omstaanders beschermd tegen verkeerde schoten. Toch is de muur blijkbaar wel zacht genoeg om met een pijl in te schieten. Ik vermoed daarom dat het geen baksteen is. Zou het een lemen of stromuur kunnen zijn? In verhouding tot de lengte van de pijlen gaan ze ook best vlotjes in de paal van het doel.

Omdat de scène zich uitstrekt over het hele beeld heb ik het pad dat de schutters met hun doel verbindt met stippen aangeduid. Ik vermoed dat de man op de bank (die zijn hand opheft) op de een of andere manier betrokken is bij het gebeuren. Geeft hij commentaar over de prestaties? Is hij een scheidsrechter? Indien niet is het me niet echt duidelijk naar wie hij zich richt met zijn gebaar.

De scène herinnert me aan de prijzen van de “bakschieting” waar mijn grootvader (die van de pijp) wekelijks naartoe ging. Meestal was de bakschieting voor de gezelligheid binnen het dorp maar 1 of 2x per jaar waren er ook prijzen te winnen. Dat waren o.a. kippen. Werd daarom die pluimveehandelaar opgetrommeld? Voor wie niet meer weet wat bakschieten is, zie onder.

Bakschieten is een eenvoudig uit te leggen spel maar vergt wel enige handigheid om te spelen. Je gooit met een aantal dikke, redelijk zware, munten naar een bak met een gat in de bovenste plank. Doel is om zo veel mogelijk munten in het gat te krijgen. Dat mag rechtstreeks of door een eerder geworpen munt een duwtje te geven. Door het uitslijten van de plank met het gebruik is elke bak anders en moet je dus al een zeer gevorderde speler zijn om alle munten in het gat te krijgen. Regels van het bakschieten en andere volksspelen vind je hier.

 

Bruegel – Kermis in Hoboken: de banier (10)

Na een paar weken zoeken, onderzoeken, contacten leggen en twijfelen heb ik vandaag beslist om een oproep op Facebook te plaatsen. Ik geraak er maar niet uit wat de tekst op de banier boven het café kan zijn. Voor mij staat het vast dat het middelste woord “hoboken” is. Mogelijk is het eerste woord “Gilde”. Voor de rest is die plek van de tekening zo slecht bewaard dat ik er niets van maak. Niet met mijn foto in hoge resolutie die ik van het internet plukte en ook niet met de foto’s die ik zelf heb genomen toen ik de Bruegel-expo in Wenen heb bezocht.

De tekst wordt regelmatig verward met de tekst op de ets. In theorie is de ets het spiegelbeeld van de tekening maar uit de vorige blogs zal het nu wel al duidelijk zijn dat de etser al eens zijn eigen zin deed.

Mijn contacten met de heemkundige kring van Hoboken leverden helaas niets op. Zij weten wél wat er staat (of dat beweren ze toch) maar ze willen het niet bekend maken omdat ze in december een boek uitbrengen waar hun antwoord in staat. Ik vermoed dat ze vrezen voor een minverkoop als ze aan mij nu al zouden zeggen wat de tekst inhoudt. Spijtig. Er zat anders wel een mooie samenwerking in maar net dat laatste is tegenwoordig geen evidentie meer.

Prof. Dr. Manfred Sellink (bekend van de boeken “Breugel in detail” en de catalogus Bruegel-expo Wenen) bevestigt mij per mail eveneens dat op de banier de woorden “Gulde” en “Hoboken” staan. Echter dat door de toestand van de tekening de rest van letters niet met zekerheid te ontcijferen is. Wat de tekst is, is dus voer voor speculatie. Er zijn immers nog een aantal zaken toegevoegd of aangepast; bvb het lettertype van het handtekening van Bruegel (anders), het jaartal (is weg), de tekst onder de prent (toegevoegd). Dit zou zelfs kunnen gebeurd zijn buiten het medeweten van Bruegel zelf, al is ook dat weer speculatie.

Mijn dank aan alle mensen die mij via Facebook hebben geholpen, willen helpen, de oproep hebben gedeeld of mij hebben doorverwezen..

 

Bruegel – Kermis in Hoboken: paard met kar (9)

Bekijken we het paard even wat van dichterbij. Vooreerst is het toch wel belangrijk mee te geven dat ik mijn tekening 4x zo groot maak als het origineel is (2x zo breed, 2x zo hoog). Het origineel is ongeveer een A3 groot. En dan moet je je inbeelden dat Bruegel dit paard tekent met een soort pen. “Pen” mag je nogal redelijk letterlijk nemen. Vandaag teken ik met een stift van 0.05mm en voor de donkere partijen een van 0.1mm, iets wat doorgaans architecten en ingenieurs gebruiken voor technische tekeningen. Maar we gaan helemaal terug naar 1559. Geen stiften, wel pennen, borstels ed. En dus met dat materiaal tekent Bruegel dit paard. Het lijkt een eenvoudige ruwe schets (en ik geef u gelijk) maar voor een tekening die zeer ruim gemeten 8x7cm meet (inclusief drinker) is die verdomd goed uitgewerkt. Let toch even op de manen, de hoeven, de bilspieren,…de vingers van de mannen met de kruiken, hun haren, de plooien in hun hemden, etc etc. Ik herhaal graag, Van Eyck ten spijt, maar Bruegel is een groter kunstenaar (allez, kom, er zit wel 100 jaar leeftijdsverschil tussen, maar toch)

Maar de kar dus. Op de kar zien we 3 andere figuren en een totaal andere scène. Een man zit vooraan op de kar en kijkt (bewaakt?) het koppel dat in de kar zit. Het koppeltje laat er geen misverstand rond bestaan: de hand van de man zit onder de rok van de vrouw. Links boven de kar hadden we al het vrijende boerenkoppeltje tegen de boom. Het zal dan wel zijn dat dit koppeltje enige intimiteit zoekt in de huifkar. Of is zij de hoer aan huis? Een deliverhoer? 😉 Dat zou kunnen maar gelet op de meerdere vrijscènes in de tekening kan ik dat niet garanderen. Wie ietwat van leeftijd is, weet dat op een kermis, achter de botsauto’s of op de rupsbaan, vergelijkbare scènes ontstonden.

Grappig detail; terwijl ik tekende (ik bouw de tekening op van links naar rechts) tekende ik dus eerst de linkse kar en begon toen aan de rechtse. Op een zeker moment leek het dat de kar links een reservewiel achteraan de wagen heeft hangen. Net zoals we dat kennen bij die oude auto’s uit de jaren ’60. Ik was op een moment zo in de war dat ik me afvroeg waar het wiel van de rechtse kar naartoe was. Ik had “u bent fout, mijnheer Bruegel” al klaar staan 😉

Let u ook even op de “manden” die in de karren liggen. Ik vermoed dat dat kippen/gevogelte hokken zijn. Aangezien er toch nogal wat gevogelte rond de karren loopt. De manden komen ook voor op de Sint-Joriskermis van Bruegel.

Bruegel – Kermis in Hoboken: de drinker (8)

In vervolg van deel (7) van deze serie en de feestsfeer in het café maak ik het paard met kar verder af. 5 figuren bewegen zich binnen dit tafereel. De eenvoudigste is de man links die de ruiter een kruik aanbiedt. Of wat wij vandaag een kruik noemen. Uit het schilderij de boerenbruiloft zien we beter waarover we ’t hebben. Vooraan links vult een man (vermoedelijke bruidegom) de kruiken voor op tafel. Bekijken we de tafel van dichtbij dan zien we dat de mensen rechtstreeks drinken uit de kruik. Toch staan er niet genoeg kruiken op de tafel om iedereen een eigen kruik te geven. Was het een gebruik om een kruik te delen met meerdere mensen? Het zou kunnen…

In ieder geval hoeft onze ruiter niet veel te delen en wordt hij rijkelijk voorzien van meer gerstenat. Oh, alweer een veronderstelling. Misschien was het wel gruut-bier ipv hop. Maar wat het meest merkwaardige aan deze drinker is, is dat hij de énige drinker is over de hele tekening. En dat voor zo’n groot volksfeest!