Laten we, nu er fotomateriaal van het originele schilderij in huis is, maar beginnen met tekenen. Ik kies ervoor om, net als bij de Toren van Babel, de tekening op ware grootte te maken. Volgens Wikipedia zou dat dan 37cm bij 55,5cm moeten zijn. Aangezien dat formaat nog binnen een A2 (42×59,4cm) valt, kan ik een blad uit mijn (super)groot schetsboek snijden en dat gebruiken als basis.
Ik vermeld het detail van het papier omdat dat voor mijn aanpak nogal ongewoon is. Doorgaans werk ik op Cansonpapier dat van een rol wordt afgesneden. Een rol laat mij toe om eender welke maat te maken zolang de kortste zijde niet groter is dan 120cm. Ik heb trouwens al een tijd geleden beslist om niet meer boven de 110cm als kleinste maat te gaan. Waarom? Omdat ik tot 110cm moeiteloos het transport met onze auto kan doen. De lengte (de grootste maat dus) wordt bij voorkeur beperkt tot 190cm. Dat kan wel langer maar ook daar weer, als die in de auto moet, dan rij ik met een plank op mijn kop en dat is niet zo comfortabel ;)
Dus bij deze wordt de tekening gemaakt op Daler Rowney-papier van 250g/m². Ik werk achter de schermen (om te schetsen en eigen tekenwerk) al een aantal jaren met dit merk en het is echt wel degelijk papier. Bij de keuze van papier is voor mij in eerste instantie de dikte en de textuur van belang. Ik hou niet van dunne blaadjes. Al was het maar omdat je er kan door kijken. Het geeft me ook nooit het gevoel dat het kwaliteit betreft. Over de textuur valt ook nog wel iets te zeggen. Ik hou niet van aquarelpapier. Dat heeft doorgaans een grove textuur, veel “boebels” en voor potloodtekenaars is dat gewoonweg niet handig om mee te werken. Superglad papier (Bristolachtige) ken ik nog van mijn middelbaar en de hoge school. Ideaal om technische tekeningen op te maken en in te inkten. Zo goed als geen uitvloeiing. Maar dit soort papier is dan weer niet “grof” genoeg om de potloodpunt “af te schrapen” zodat het potlood echt ten volle kleur afgeeft.





Hierboven enkele voorbeelden van tekeningen op zeer glad papier. Je ziet (hopelijk) meteen dat softpastels niet zo doordringen in de poriën en eerder meer een zacht maar egaler vlak gaan maken. Daarentegen zijn de tekeningen met stift (herkenbaar aan de hardere contourlijn) erg scherp afgelijnd en merk op dat het inkleurwerk (met potlood) net zoals bij pastels veel zachter wordt dan bij “klassiek” tekenpapier. Die zachtheid kan je natuurlijk ook best uitbuiten om te komen tot hele subtiele dégradees in de intensiteit van een kleur. De eerste tekening is een snelle schets met enkel een oranje en een paars potlood. Voor snelle schetsen is een glad papier natuurlijk wel zalig. Omdat er minder “afgeschuurd” wordt, kan je veel gemakkelijker corrigeren tijdens het tekenen.


De basistekening is aangezet. Wat een gedoe. Na maanden niet meer tekenen voel ik “het” ineens weer aan mijn schouders. Moet ik toch onthouden voor een volgende sessie bij de kinesist. Of ik moet een andere manier van opstellen zien te vinden. Los daarvan blijf ik dat – net zoals bij de vorige Bruegeltekeningen – elke keer weer een ware ontdekking zo’n “naakte Bruegel”. Doe zeker de moeite om de gehele schets te openen en tijd te nemen om alle details te bekijken. Door het gebrek aan kleur krijg je dat typische sneeuwlandschapgevoel. Zonder pretentieus te willen zijn vind ik in deze versie de watermeander veel meer aanwezig dan in het schilderij. Wat zal dat worden wanneer ik aan de kleuren begin?



































