Bruegel 4 (03): een eerste schets

Laten we, nu er fotomateriaal van het originele schilderij in huis is, maar beginnen met tekenen. Ik kies ervoor om, net als bij de Toren van Babel, de tekening op ware grootte te maken. Volgens Wikipedia zou dat dan 37cm bij 55,5cm moeten zijn. Aangezien dat formaat nog binnen een A2 (42×59,4cm) valt, kan ik een blad uit mijn (super)groot schetsboek snijden en dat gebruiken als basis.

Ik vermeld het detail van het papier omdat dat voor mijn aanpak nogal ongewoon is. Doorgaans werk ik op Cansonpapier dat van een rol wordt afgesneden. Een rol laat mij toe om eender welke maat te maken zolang de kortste zijde niet groter is dan 120cm. Ik heb trouwens al een tijd geleden beslist om niet meer boven de 110cm als kleinste maat te gaan. Waarom? Omdat ik tot 110cm moeiteloos het transport met onze auto kan doen. De lengte (de grootste maat dus) wordt bij voorkeur beperkt tot 190cm. Dat kan wel langer maar ook daar weer, als die in de auto moet, dan rij ik met een plank op mijn kop en dat is niet zo comfortabel ;)

Dus bij deze wordt de tekening gemaakt op Daler Rowney-papier van 250g/m². Ik werk achter de schermen (om te schetsen en eigen tekenwerk) al een aantal jaren met dit merk en het is echt wel degelijk papier. Bij de keuze van papier is voor mij in eerste instantie de dikte en de textuur van belang. Ik hou niet van dunne blaadjes. Al was het maar omdat je er kan door kijken. Het geeft me ook nooit het gevoel dat het kwaliteit betreft. Over de textuur valt ook nog wel iets te zeggen. Ik hou niet van aquarelpapier. Dat heeft doorgaans een grove textuur, veel “boebels” en voor potloodtekenaars is dat gewoonweg niet handig om mee te werken. Superglad papier (Bristolachtige) ken ik nog van mijn middelbaar en de hoge school. Ideaal om technische tekeningen op te maken en in te inkten. Zo goed als geen uitvloeiing. Maar dit soort papier is dan weer niet “grof” genoeg om de potloodpunt “af te schrapen” zodat het potlood echt ten volle kleur afgeeft.

Hierboven enkele voorbeelden van tekeningen op zeer glad papier. Je ziet (hopelijk) meteen dat softpastels niet zo doordringen in de poriën en eerder meer een zacht maar egaler vlak gaan maken. Daarentegen zijn de tekeningen met stift (herkenbaar aan de hardere contourlijn) erg scherp afgelijnd en merk op dat het inkleurwerk (met potlood) net zoals bij pastels veel zachter wordt dan bij “klassiek” tekenpapier. Die zachtheid kan je natuurlijk ook best uitbuiten om te komen tot hele subtiele dégradees in de intensiteit van een kleur. De eerste tekening is een snelle schets met enkel een oranje en een paars potlood. Voor snelle schetsen is een glad papier natuurlijk wel zalig. Omdat er minder “afgeschuurd” wordt, kan je veel gemakkelijker corrigeren tijdens het tekenen.

De basistekening is aangezet. Wat een gedoe. Na maanden niet meer tekenen voel ik “het” ineens weer aan mijn schouders. Moet ik toch onthouden voor een volgende sessie bij de kinesist. Of ik moet een andere manier van opstellen zien te vinden. Los daarvan blijf ik dat – net zoals bij de vorige Bruegeltekeningen – elke keer weer een ware ontdekking zo’n “naakte Bruegel”. Doe zeker de moeite om de gehele schets te openen en tijd te nemen om alle details te bekijken. Door het gebrek aan kleur krijg je dat typische sneeuwlandschapgevoel. Zonder pretentieus te willen zijn vind ik in deze versie de watermeander veel meer aanwezig dan in het schilderij. Wat zal dat worden wanneer ik aan de kleuren begin?

Bruegel 4 (02): maar eerst…

Een idee hebben om te tekenen is al zeker een goeie start. Het originele werk gaan/kunnen bekijken een nog veel betere ;)

Voor de eerdere Bruegels reisde ik al af naar Rotterdam (museum Boijmans Van Beuningen) , naar Wenen (KHM) , Brussel (KMSKB), Antwerpen (KMSKA), Gent (MSK),… Voor het Winterlandschap met vogelknip is er een beetje van een “luxeprobleem”.

Van Winterlandschap met vogelknip is al minstens 127 keer gekopieerd. Het hangt wat af van de bron(nen) hoeveel kopies er worden vermeld maar laat het ons afronden naar 130 voor ’t gemak van onthouden. Trouwens in de catalogus van de Wenen-expo staat 130 kopies, volgens Google Arts & Culture zijn het er zelfs 140. Waar Google die 140 vandaan haalt is niet verder vermeld.
In België is er al zeker een te zien in KMSK Brussel, Mayer Van den Bergh Antwerpen en in het MBA Doornik. Andere mogelijkheden zijn o.a.: Maastricht, Wroclaw, Moskou, Madrid, Tokyo,..en een flink aantal private collecties. (bron)

Brussel is vanuit Gent gemakkelijk bereikbaar én Brussel heeft een extra troef: het originele werk hangt er in de Bruegelzaal. Dus ik naar Brussel… Het KMSKB heeft een indrukwekkende verzameling aan “Vlaamse primitieven” en tijdgenoten. Wie dit museum nog niet heeft bezocht, het is een aanrader!

…en niet alleen originele werken van Pieter Bruegel de Oude maar ook kopies van zijn werken door zijn zonen…

Dat maakt het al op zijn minst (alweer) zeer boeiend want waar zitten de verschillen tussen het originele werk en de kopie? Laat staan dat er 130 kopies van het werk circuleren…

Ik denk dat ik het langst van alle bezoekers van die dag in de specifieke zaal heb verbleven. Ik was ook al diegene die het langst in de videozaal (vlakbij de inkom), waar schilderijen op een soort immersieve wijze worden getoond en voorzien van commentaar, ben gebleven.

Om toch niet meteen alles prijs te geven, zet ik hieronder detailfoto’s van Volkstelling te Bethlehem (ja hoor, zo’n pestkop ben ik dan ook wel weer HAHAHAHA)

Bruegel 4 (01): winter in de renaissance

Er waren eens 3 Bruegeltekeningen: De toren van Babel (2018-2019), De kermis van Hoboken (2019) en als derde De imkers (2021). Telkens nagetekende versies van bestaande werken van Pieter Bruegel De Oude (daarom schrijf je dat als Bruegel en niet als Brueghel) met ook elke keer een eigen insteek in de kopie (bvb ander formaat, eigen creatieve wending,…) en research rond het werk.

Winter Pleasures. Sebastian Vrancx (1573 – 1647)

Natuurlijk kan ik na 3 lange blogsessies niet blijven nieuwe zaken ontdekken. Veel is al verteld. Hier en daar zal ik nog wel verwijzen naar dingen die in de andere blog als meer uitgewerkt verteld zijn, lees ze daar zeker nog eens na. Je kent mijn stijl hé, ’t is toch altijd met een knipoog (stel je voor dat ik leerkracht geschiedenis was geworden, dat zou nogal een boeiende hilariteit in de klas geweest zijn).

Enfin, voor ik de nieuwe blogreeks op jullie los laat moest er dus ook wel wat nieuwe input komen. En een nieuwe wending. Boerentaferelen was een optie maar die heb ik (nog) niet gekozen. Ben je daar in geïnteresseerd, doe dan zeker de Brueghel-wandelroute die start in Sint-Anna-Pede. Meer hierover in een eerdere blog. Een andere optie – die ik bij deze wel genomen heb – zijn de winterlandschappen. In de poll die ik ergens 2018 moet gelanceerd hebben (sorry, ik heb echt niet de moeite gedaan om hem weer op te dissen) met de vraag aan mijn volgers welke Bruegel ik zou moeten kopiëren. Toen won De Toren van Babel MAAR dat was in mijn herinnering een nek-aan-nek-race met een ander (bekend) schilderij: Winterlandschap met vogelknip.

Winterlandschap met vogelknip is één van de vele winterlandschapschilderijen van Bruegel. En voor ik focus op dat éne schilderij is het goed nog eens terug te keren naar midweg de jaren 1500 en de context van toen onder de loep te nemen. Deze periode wordt al eens “de kleine ijstijd” genoemd.

Pieter Bruegel de Oude leefde van ca. 1525-1530 tot 9 september 1569. De geboortedatum van de Oude kennen we niet. Er zijn echter wel referenties en door deductie kan men concluderen dat Pieter ergens tussen 1525 en 1530 is geboren. Het is evenmin zeker waar hij geboren is. Vermoedelijk in Breda of in Breugel (niet Bruegel). Dat is dus ook deductie, net als bij Jan Van Eyck wordt verwezen naar Maaseik of bij Jeroen Bosch wordt verwezen naar Den Bosch. Maar bij Bruegel hangt er nog een staartje aan dit verhaal…Er is namelijk een Bruegel in Nederland en dat lijkt het meest voor de hand liggend. Zelfs het huidige landschap wijst nog naar Bruegel de Oude (zie foto van Ron Sanders hieronder). Echter, ik zei al Bruegel of Brueghel (’t is al een eerste verschil) én de uitspraak (vandaag) Breugel en niet “bruugel” (de ue-klank staat doorgaans voor een verlenging van de eerste klinker) kunnen verwijzen naar een andere locatie. Advocaat Luc Savelkoul deed onderzoek en kwam tot de conclusie dat Bruegel, Bruugel als klank, verwijst naar Grote-Brogel!!! Dus – kunstweetje – wil je weer ’s scoren bij vrienden, dan weet je nu dat Bruegel meer dan vermoedelijk geboren is in Grote-Brogel. Beluister hier het interview.

Halfweg jaren 1500 zijn we al vet in de renaissance. Wie Bruegel de Oude dus nog in de middeleeuwen situeert is niet mee met de tijd ;) Wie denkt dat Jeroen Bosch en Bruegel ooit samen op café hebben zitten pintelieren is er ook dik naast. Toen Bruegel geboren werd was Bosch al (fysiek) lang dood. De kunst van Bosch daarentegen was (commercieel) nog springlevend en ging nog vlot over te toonbank. Zeker bij de firma Bruegel waar nog frequent verwezen werd naar Bosch. Over Van Eyck (Maaseik, circa 1390 – Brugge, 9 juli 1441) zou je nog kunnen discuteren. De middeleeuwen lopen (cfr Wikipedia) van 500 tot 1500 NC terwijl de renaissance start in de 14e eeuw (dus jaren 1300) en loopt tot de 16e eeuw. Van Eyck zit dus op de wip. Al zie ik Van Eyck meer aanleunen bij de vroeg-renaissance dan bij de middeleeuwse kunst. Maar in de werken merk je nog sterk die overgang van het “stijve, platte” naar het realistische, Romeins/Griekse 3D-model.

Volgens bovenstaand overzicht daalde de gemiddelde temperatuur in de jaren 1400-1700 toch wel aanzienlijk. Dat heeft wel zo zijn invloed op de winterervaringen en het vertier dat daarmee gepaard gaat. Dat we vandaag (in Vlaanderen) nog nauwelijks bevroren rivieren kennen is ook wel duidelijk als we naar het overzicht kijken. De gemiddelde globale temperatuur is sinds de industrialisatie stevig gestegen (ontkenners kunnen er blijven tegenargumenteren, feiten zijn wat ze zijn). Dat koude, onaangename winter kan samen gaan met plezier zien we nog bijvoorbeeld bij de Olympische winterspelen of bij de Elfstedentocht (als die er ooit nog eens komt). Natuurlijk, wanneer, bij wijze van spreken, het ijs en de sneeuw voor het rapen ligt (en blijft liggen) dan past een mens zich daar naar aan (zie ook schilderij hierboven). In Nederland zijn er nog de Ice Games. De Ice Games zijn een verzameling oer-Hollandse spelletjes die plaatsvinden op het ijs. Tijdens deze activiteit kun je genieten van verschillende traditionele ijsactiviteiten, zoals priksleeën, levend curlen, eisstock schiessen en nog veel meer.

Maar er is altijd meer dan vertier en plezier op vrije momenten. Er moet ook gewerkt en gewarmd worden. Want winter is niet altijd zo plezant. Een mens moet aan eten geraken en zich (liefst) ook nog een beetje warmen. Ook dit is regelmatig te zien op de schilderijen uit de kleine ijstijd. In tegenstelling tot vandaag waar in ieder huis op de een of andere manier verwarming aanwezig is, was dat vroeger niet zo vanzelfsprekend. We hoeven niet ver terug in de tijd te gaan om een huis te kennen waar nog met kolen, hout of bruinkool werd gewarmd. Meer dan waarschijnlijk in een beperkt aantal (leefruimtes). Nog vroeger was zelfs die luxe niet voor iedereen weggelegd en ging men voor de warmte en het licht naar de kerk of het cafeetje naast de kerk (kijk maar eens naar Daens als je die sfeer wil herbeleven).

IJsvermaak op de stadsgracht van Brussel – Robert van den Hoecke (1622–1668)

Terug naar Bruegel en zijn winterlandschappen. Als “appetizer” voor de komende blogs gooi ik hier al enkele highlights van zijn winterlandschappen in de ring. Ik ga er later dieper op in. Wat ik hier nu vooral wil meegeven (zie ook de eerdere blogreeksen) is dat Bruegel regelmatig inspeelt op katholieke thema’s in zijn werken dit in combinatie met de reële situatie van die tijd. Als reële situatie kan je meteen snel aan “winter” denken maar denk vooral ook aan Spanjaarden en de rebellieën (o.a. protestantisme) vanuit Nederland waardoor het afwijkend denken tov het (Spaanse) Katholicisme nogal riskant was…

Dat Bruegel de Oude een grote invloed, zeg maar kunstinfluencer was, had op zijn tijdgenoten zie je duidelijk in de kunst van de jaren 1500. Men stelt dat Bruegel de eerste was met winterlandschappen de markt op te gooien. Of dat zo is kan ik niet bevestigen alleen vermoeden. Misschien had wel iemand anders eerder een winterlandschap geschilderd en had Bruegel dit als inspiratie gebruikt om een nieuwe mode te lanceren. Zo is – intussen algemeen geweten – Van Eyck niet de uitvinder van de olieverf maar wordt hij dikwijls aldus genoemd. Een andere winterlandschapsschilder is Lucas Van Valckenborch (1535 – 1597). Gelet op zijn leeftijd zou Lucas mogelijks wél op café hebben gezeten met Pieter. Net als de Bruegels werden andere familieleden Van Valckenborch kunstschilders. Volgens Wikipedia is Lucas een navolger van Pieter. Als je naar de werken op Wikipedia kijkt valt daar weinig over te twijfelen…

Lucas Van Valckenborch – zicht op de Antwerpse bevroren Schelde (1593)

Bruegel 2 – Kermis in Hoboken: Waarom omkeringsfeesten zo belangrijk waren in de Middeleeuwen?

Voor de start van de nieuwe Bruegel 4-tekening, warm ik je graag al op met een terugblik naar Bruegel 2: Kermis in Hoboken aan de hand van dit artikel van National Geographic.

Tussen kerst en carnaval vonden er in de Middeleeuwen allerlei feesten plaats, waaronder het Narrenfeest. Het draaide om eten, toneelspelen en omkering van rollen. tekst Roeliene Bos Gepubliceerd op: 27/12/2025

Wie terug kon reizen naar de latere Middeleeuwen zou ’s winters van het ene in het andere feest verzeild raken. Want hoewel er hard en veel werd gewerkt, maakten de middeleeuwers ook veel tijd vrij voor ontspanning. ‘Ze waren een derde van het jaar bezig met feesten,’ vertelt Rozanne Versendaal van de Universiteit Utrecht, die promoveerde op de middeleeuwse feestcultuur in de Lage Landen en Noord-Frankrijk. Wat gebeurde er tijdens die feesten en waarom waren ze zo belangrijk voor de samenleving?

Het Narrenfeest, waar arm en rijk van rol wisselden

Het Narrenfeest, officieel fête des fous, was een van de vele feestdagen in de Middeleeuwen en vond plaats in de winter. De koude maanden waren bij uitstek geschikt voor vieringen: de oogst was op dat moment al binnen en er hoefde ook nog niet gezaaid te worden. ‘De wereld stond even stil en er ontstond een parallelle wereld met allerlei feesten,’ vertelt Versendaal.

Leestip: Reizen in de Middeleeuwen: ‘Er was veel nieuwsgierigheid naar de buitenwereld’

Veel daarvan, zo ook het Narrenfeest, waren zogeheten omkeringsfeesten. Tijdens de festiviteiten ruilden zowel geestelijken als stedelingen van positie. Een bescheiden priester kon voor een paar dagen worden verkozen tot paus, terwijl rijkelui zich in vuile vodden over straat begaven. Sommigen torsten zelfs een kussen mee onder hun shirt om te doen alsof ze een bochel hadden. Zie ook de man in het paarsachtige gewaad in het midden van onderstaand schilderij.

Op dit schilderij van Pieter Bruegel (De strijd tussen Vasten en Vastenavond) zien we niet het Narrenfeest, maar een symbolische confrontatie tussen Vastenavond en carnaval: boetedoening versus plezier. Historicus Rozanne Versendaal: ‘Van het fête des fous hebben we geen schilderijen, maar dit schilderij van Pieter Bruegel is ook een goede illustratie voor dat feest. Je ziet allemaal kleine tafereeltjes die ons heel veel kunnen vertellen over wat er allemaal gebeurde.’

Over hoe de armen zich voordeden als rijkelui is minder bekend. ‘Armen zijn bijna niet terug te vinden in de archieven. Ze hebben eigenlijk geen stem,’ legt Versendaal uit. Maar ze heeft wel zo haar vermoedens. ‘Ik vermoed dat de bedelaar die het hele jaar door op een vaste plek zat werd benaderd om de rol van rijkaard te spelen.’ Die kreeg dan een mooie mantel aangemeten.

Eten, toneel en spektakel in de straten

Op de pleinen en in de straten rook het naar vlees, dat in grote hoeveelheden op lange tafels stond waaraan arm en rijk samen hun maaltijd nuttigden. ‘Het eten werd bekostigd door financiers, dus het kostte niemand geld om aan de maaltijd deel te nemen,’ vertelt Versendaal.

Tussen de maaltijden door speelde men spelletjes of werd er gekeken naar toneelstukken. ‘In de stad waren verschillende podia en je moest van de een naar de ander. De decors waren ook vrij spectaculair, met bewegende delen en vuureffecten,’ weet Versendaal. Steden gingen in de Middeleeuwen zelfs met elkaar in competitie over wie het mooiste toneelstuk had.

Feestvreugde met een rauw randje

De podiums bevonden zich in de kerk, maar ook op straat. Dat bood dieven de uitgelezen kans om hun slag te slaan. Versendaal: ‘Die sneden de tassen gewoon door van mensen en gingen ermee vandoor. Ik heb zelfs een tekst gevonden waarin er in het toneelstuk zelf wordt gewaarschuwd voor zakkenrollers.’

Op dit schilderij zie je twee dieven (één met een wit shirt, de ander met een rood-witte broek), die de buidels afsnijden van toneeltoeschouwers.

De inhoud van de voorstellingen was soms komisch van aard, maar toneel werd ook gebruikt om serieuze en morele boodschappen over te brengen. Geestelijken voerden bijvoorbeeld Bijbelverhalen op, zoals de kindermoord in Betlehem na de geboorte van Jezus. ‘Lang niet iedereen kon lezen, maar op deze manier konden ze toch over de verhalen leren.’

Het feest van de Onnozele Kinderen

De omkeringsfeesten boden een zucht van verlichting in de donkere maanden. ‘De winter was voor veel mensen echt een beetje afzien. Het enige dat je in de Middeleeuwen had om je aan te warmen, was vuur. Het is vroeg donker, het is nat, vochtig. Al het comfort dat wij nu hebben, hadden zij niet. Zo’n feest was een welkome afleiding,’ vertelt Versendaal.

Wil je niets missen van onze verhalen? Volg National Geographic op Google Discover en zie onze verhalen vaker terug in je Google-feed!

Maar er zat ook een duidelijke symboliek achter. Allereerst hadden de feesten volgens Versendaal een duidelijk leerelement. ‘Lage geestelijken die tot paus werden verkozen konden tijdelijk ervaren hoe het is om in zo’n hoge positie te zitten.’ Dat gold ook voor kinderen. Tijdens het feest van de Onnozele Kinderen op 28 december werd een van hen tot kinderpaus verkozen.

Dat klinkt in moderne ogen misschien als heiligschennis, maar dat was het volgens Versendaal absoluut niet. Sterker nog: de middeleeuwse omkeringsfeesten werden geïnitieerd door de kerk. Het feest van de Onnozele Kinderen is bijvoorbeeld een verwijzing naar de kindermoord in Betlehem.

Leestip: Dit was het echte menu van de middeleeuwer – volgens een historicus

Versendaal: ’De omkering was dat kinderen juist op die dag een hoge positie kregen. Ze mochten dan ook belangrijke beslissingen nemen, met als idee dat hen dit voorbereidde op de toekomst.’

Hoe feesten de stad bij elkaar hielden

Daarnaast waren de feesten waren een sociaal bindmiddel. ‘Het hele jaar door kwamen mensen uit verschillende klassen door deze feesten met elkaar in contact,’ vertelt Versendaal. ‘Het ruilen van positie was een manier om de heersende maatschappelijke orde te herevalueren en een ander perspectief te krijgen. Dat vergrootte de sociale cohesie in de stad.’